De Kruiskerk

Deze stamt uit de 12e eeuw. De kerk is in de 13e eeuw uitgegroeid tot de huidige drie-beukige kerk met koor in Romano-gotische stijl.

Tot de reformatie was het ook een kloosterkerk.

De stenen gewelven zijn uniek in Fryslân. Bijzonder is ook de stoere, sobere middeleeuwse sfeer.

In het interieur vallen verder op: de gesneden preekstoel. Twee herenbanken en fragmenten van gewelfschilderingen.

De torenklok is in 1662 gemaakt.

 

Geschiedenis:

Bergum, de Hervormde Kruiskerk

De Bouwgeschiedenis en het exterieur

Rond 1100 werd de tufstenen dorpskerk opgetrokken. Daarvan zijn de toren en de volle breedte van de westmuur in het huidige gebouw bewaard gebleven. ln een sleuf, die tussen de tufstenen en de bakstenen muur is uitgespaard, zijn de aanzetten van een dubbele rij spaarvelden met boogfries in het muurwerk zichtbaar.

Het eenbeukige, romaanse bedehuis, gewijd aan de H. Martinus, heeft niet lang bestaan. Ongeveer een eeuw later, circa 1200, vond al een ingrijpende verbouwing en uitbreiding plaats in baksteen: de kerk werd driebeukig, hoger en langer. De tufsteen van het oude kerkje werd hergebruikt voor de bepleisterde binnenwand en als muurvulling. Bij deze uitbreiding van de kerk moet het enige tijd tevoren gestichte dubbelklooster van de Reguliere Kanunniken van St. Augustinus, genaamd Berghklooster of Barraconvent, op het terrein ten noorden van de kerk een grote rol hebben gespeeld. De romano-gotische nieuwbouw bepaalt in belangrijke mate het huidige karakter van de kerk door de toepassing van smalle, gedrukte spitsboogvensters met kraalprofiel in de dagkant en de spaarvelden met siermetselwerk. De naar verhouding iele toren moest worden verhoogd, want de nok van het nieuwe schip reikte tot boven de torenzolder.

De toen gedichte galmgaten met de tufstenen deelzuiltjes zijn bij de laatste restauratie weer geopend. Omstreeks 1300 vond een buitengewoon opmerkelijke verandering plaats, waarbij de driebeukige kerk tot kruiskerk werd verbouwd door de toevoeging van ondiepe dwarspanden. De ruimtewinst is zo gering, dat de vergroting eerder symbolisch moet worden opgevat: ofwel in ruimtelijke zin ofwel een kwestie van status. Kennelijk heeft men  tijdens de bouw een wijziging in het plan doorgevoerd, die resulteerde in een verbreding van het transept met een half travee waardoor het geheel beter van verhouding werd. Deze hypothese geeft een verklaring voor de asymmetrische raamindeling in de topgevels van de dwarspanden.

De oude kloostergebouwen zijn in 1581, toen de reformatie een feit was, grotendeels gesloopt. Tussen 1610 - 1613 heeft men omvangrijke verbouwingswerkzaamheden aan de kerk verricht: de toren werd hersteld, om er een klok in te kunnen hangen en de zijbeuken werden, als overbodige ruimten, gesloopt. Dit had desastreuze gevolgen voor de stabiliteit van het gebouw, want de zijbeuken hadden tevens gediend om de gewelfdruk op te vangen en te geleiden naar de buitenmuren. Hoewel deze functie enigszins werd gecompenseerd door trekbalken raakte de kerk in de 18de en 19de eeuw geleidelijk in verval en begon het schip vervaarlijk te hellen. ln 1950 werd de kerk wegens instortingsgevaar gesloten. Pas in 1952 kon worden begonnen met de restauratie naar het herstelplan van de Leeuwarder architect A. Baart jr.

Bij de restauratie, die vijf jaren in beslag nam, werd het grondplan van vóór ca. 1610 gereconstrueerd, zowel om constructieve als esthetische redenen. Voor de nieuwe zijbeuken werd ter onderscheiding een kleiner formaat baksteen dan de kloostermop gebruikt.

 

Het interieur

Het voorportaal van de kerk is bevloerd met grafstenen, of fragmenten daarvan, die tijdens de restauratie in het koor van de kerk zijn gevonden. Voor de trap naar de orgelgalerij ligt een priesterzerk uit 1553 met gotische letters en op twee der hoeken de symbolen van de evangelisten Lucas en Marcus.

Het middenschip en het koor van de kerk dragen het karakter van de romano-gotiek. Het schip is geleed in vijf traveeën en het inspringende en verhoogde koor is een travee diep met een halfronde sluiting. Het schip en het koor hebben koepelachtige gewelven met ronde ribben, die in een sluitsteen of een sluitring samenkomen.

Op de gewelven bevinden zich resten van plafondschilderingen: plantmotieven, dierfiguren, letters en imitatie metselwerk.

Zware gemetselde pijlers met spitsbogen daartussen scheiden het schip van de gereconstrueerde zijbeuken die zijn gedekte door een vlak houten plafond. Aan de noordzijde van het koor is een restant van een stijl inrode zandsteen met resten van metaal. Vermoedelijk betreft het een fragment van een tabernakel, waarin in de middeleeuwen de hosties werden bewaard. Onder de ramen bevindt zich een tiental nissen in de muur.

 

De inrichting

De restauratie van de kerk had ook verstrekkende gevolgen voor de inrichting van de kerk. De kerkbanken zijn grotendeels vervangen door zgn. Deventer stoelen. Een deel van de bewaard gebleven banken verhuisden onder de orgelgalerij, waar eerder de consistoriekamer was. ln de transepten staan twee overhuifde banken en een lage herenbank opgesteld. De grote banken zijn tijdens de restauratie samengesteld uit verschillende andere banken. Het achterschot van de niet-overhuifde bank, tegenwoordig kerkeraadsbank, bevat een paneel met een alliantiewapen, met als helmfiguren een uitgaand hert en een eenhoorn. De oorspronkelijke wapenfiguren van Douwe Karel van Unia en zijn vrouw Luts Sippesdr. van Aylva zijn vlak afgestoken.

 

De preekstoel is verplaatst naar de noordoostelijke vieringpijler, waarbij het doophek verloren ging.

De kansel is van omstreeks 1685. Hij bestaat uil een 8-kantige kuip met gekorniste panelen tussen vrijstaande, gewrongen zuiltjes met wingerdranken. De trappaal is schroefvormig.

 

Tegen de westmuur van het zuidertransept is een grafsteen opgesteld van Oedts Arents Haersma, rekenmeester van Friesland (overl. 1615) en zijn vrouw Luts Rietsma van Hoytsma (overl. 1622). Het graf en de grafsteen zijn nadien nog eens benut voor de bijzetting van Odulphus van Hillama (overl. 1663). Op dezelfde plaats in het noordelijk transept is de grafsteen opgesteld van Kapiteyn Gellius van Bouricius, overleden op 27-jarige leeftijd in 1654. De buitenste rand van de grafsteen werd niet voorzien van een inscriptie.

Voor het koor staat een hardstenen doopvont waarop in hoogrelief de doop in de Jordaan. Het is vervaardigd door Auke Hettema in 1964 in opdracht en als geschenk van de aannemers die bij de restauratie waren betrokken. De Avondmaalstafel en de stoel erachter zijn een geschenk van de toenmalige burgemeester Mr. W.M. Oppedijk van Veen. De drie kroonluchters zijn een aankoop van de kerkelijke gemeente zelf, een donatie van een Bergumer familie en de vader van de Engelse RAF-vliegenier B.F. Thorpe die in Bergum ligt begraven.

 

Het uurwerk en de luidklok

Al in 1654 is er sprake van een "uyrwerk" dat door de schoolmeester werd onderhouden. Mogelijk betreft dit het uurwerk dat thans, weliswaar gemoderniseerd, nog steeds in de toren aanwezig is. ln de toren hangt een luidklok met het volgende opschrift: " Jurien Balthasar heeft my ghegooten in Levwaerden 1662. Sacra, sepulturas, motus, incendia, leges cum jubeor sonitu perterebrante loquor". (lk verkondig de eredienst, begrafenissen, oproer, brand en wetten, als ik word bewogen, met een doordringende klank).

Op de mantel is het alliantiewapen Van Hillema-Haersma afgebeeld met de tekst : "De Heer van Hillma ontfanger-generael van Tietzercksteradeel".

 

Het Orgel

Het eerste orgel van de kerk was een voorreformatorisch "tweedehandsje" uit Jutrijp, dat vanaf 1686 nog  bijna honderd jaar de kerkzang in Bergum begeleidde. In 1783 werd de bouw van een nieuw orgel besteed aan L. van Dam, die het in 1788 voltooide, waarop het op 26 oktober van dat jaar werd ingewijd. ln 1965 is het orgel door de Fa. Flentrop in de oorspronkelijke staat teruggebracht met technische moderniseringen. Op het lampet zijn tussen het jaartal 1788 de alliantiewapens aangebracht van Hobbe Baerdt van Sminia en diens echtgenote Albertine Hectorsdr. van Glinstra.

 

Betty Rozema - Früchnicht

 

Dolf van Weezel Errens

 

Literatuur:

 

-A. Baart en M.P. van Buytenen; Bergum's klooster en omgeving. ln: De Vrlje Fries dl. 43 (1957).

 

-H. Sannes; De Schoolmeesters van Tietjerksteradeel in de loop der tijden. ln: Bergumer Courant (1949).